Als meisje van vier werd ik 's nachts wel eens zwetend wakker, uit een nachtmerrie waarin ik Roodkapje was. In een donker bos kwam ik de Grote Boze Wolf tegen, die op het punt stond me op te eten. Vlak voor ik verslonden zou worden stopte de droom dan. Net op tijd.

De nachtmerries hielden op, maar het boekje waaruit ik toen werd voorgelezen staat nog altijd in mijn boekenkast. Nu, dertig jaar later, speelt 'Roodkapje' weer een rol in mijn leven. Het meisje is een thema in mijn werk geworden, in de ruimste zin van het woord. Soms vrij letterlijk, zoals in de installatie die nu te zien is in de Ladyshave tentoonstelling. Soms wat meer verborgen of op de achtergrond. Maar altijd ergens aanwezig.

Het verhaal over Roodkapje bestaat al eeuwenlang, het werd op donkere avonden verteld bij het haardvuur in de woonkamers. Pas in de zeventiende eeuw werd het voor het eerst opgeschreven, door Charles Perrault. Perrault was in die tijd schrijver aan het hof van de zonnekoning, Lodewijk de Veertiende. Zijn sprookjes waren bedoeld om de adel aan dat hof te vermaken. Maar ze waren tegelijkertijd een zedenschets.

In dat oude verhaal van Perrault doet Roodkapje een striptease voor de wolf, ze kruipt naakt bij het harige dier in bed en wordt vervolgens zonder pardon door hem opgegeten. Het loopt slecht met haar af - want de bekende redding in de vorm van een jager blijft uit. Zo was het verhaal van Roodkapje een waarschuwing aan de jonge dames van adel: ze konden zich beter niet laten verleiden van hun paadje te gaan, anders zou het ook met hen wel eens slecht kunnen aflopen.

In de loop van de eeuwen veranderde het verhaal. In sommige versies werd Roodkapje mondiger, minder onbenullig, verzint een list waardoor ze aan de wolf kan ontsnappen. En in het sprookje zoals wij dat nu kennen, wordt ze gered door een oplettende jager die toevallig in de buurt is en onraad ruikt. Hij bevrijdt haar uit de buik van de wolf en ze leeft nog lang en gelukkig. Zoals het hoort.

Zo laat de geschiedenis van Roodkapje twee kanten van het meisje, of de vrouw, zien. Aan de ene kant de nette volgzame vrouw, die Roodkapje eigenlijk geacht wordt te zijn, een rol die ze na de redding door een sterke man weer kan vervullen. Aan de andere kant het meisje dat zich laat verleiden het rechte pad te verlaten, Omdat ze misschien haar eigen weg wil gaan, omdat ze avontuur zoekt. Of omdat ze gewoon door de wolf genomen wil worden.

Het is een dubbelheid die ik terug zie in de wereld om me heen, op billboards, in tijdschriftreclames, het internet en op televisie. Deugdzaamheid versus lust en verleiding. De damesbladen die laten zien dat de perfecte vrouw taarten bakt, tuiniert en met kinderen en hond over het strand rent. Daartegenover de pornofilms en -plaatjes, waarin die perfecte vrouw zich met een stralende lach van achteren laat neuken, soms zelfs door die hond.

In mijn werk kijk ik naar die verschillende beelden, en hun ambiguïteit. Een klein meisje dat netjes staat te strijken maar intussen in het niets lijkt op te lossen. Brave huisvrouwen met een wespentaille die weifelend achterom kijken naar wat ze missen als ze het rechte pad volgen. Vrouwen met mannelijk zaad op hun gezicht die er op de oorspronkelijke foto's beklagenswaardig uitzien, slachtoffers, maar als borduurwerkje lieflijk en gelukkig zijn. Sterke vrouwen.

En natuurlijk mijn Roodkapje zelf, op hoge hakken en in een veel te kort jurkje, die geen bloemetjes plukt maar penissen in haar tasje verzamelt. Misschien door de wolf opgegeten wordt. Maar misschien ook gewoon nog lang en gelukkig leeft…

Hinke Schreuders - lezing over eigen werk in het kader van debat When the Lady Talks, Arminius, Rotterdam, oktober 2005