Aan een roosje

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem
Tussen donzen peulen rust!
Aartig roosje, vers ontloken,
Ware uw zalig lot het mijní,
Lag ik ook zo neergedoken
Tussen 't dubbel halssatijn,
'k Lei geenszins als gij bewustloos
't Hangend hoofdje stil op zij;
Nee,'k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel de omtrek van nabij.
'k Zou, door hete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en mals,
Duizend, duizend kusjens geven,
'k Zoende schouders, nek en hals.
'k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez' voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blauwer aders praaIde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde
Wie de roodste bezie had.
'k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De ene bol van d'andre scheidt,
Die stilzwijgend schijnt te wenken,
Lager vindt ge rijker schat
Dan gij immer uit kost denken.
Dan een sterv'ling ooit bezat.
'k Nam dat pad, van lust doorprikkeld
Tot die schat mijne ogen trof
En 't geheim mij werd ontwikkeld
Binnen Cypris' rozenhof.


Jacob van Lennep