Uit: Vrij Nederland - nummer 51/52 - 20 december 2003

Kunst moet niet meer

Hoe critici en curatoren samenspannen

Niet de kunstenaars bepalen wat voor kunstwerken we zien, maar de tentoonstellingsmakers en de recensenten. Het gevolg: gemakzuchtige, ambitieloze kunstenaars met een steeds lagere maatschappelijke status. Een verslag van het groeiend onbehagen over hedendaagse kunst.

Door Barbara van Erp

'Come and play,' lokt een vrolijk spandoek de bezoekers van de Tate Modern. Het is een aansporing om te gaan kijken naar de tentoonstelling op de vierde verdieping waar vijftien hedendaagse installaties te zien zijn. Op deze gure zondagmiddag is het Londense museum tot aan de nok gevuld. Er staan ontmoedigend dikke rijen voor het restaurant op de bovenste verdieping, met uitzicht over de Theems. Bij de vaste collectie schuifelen bezoekers voetje voor voetje langs de werken van Cézanne, Picasso, Beuys, Rothko en Nauman. Zelfs de tentoonstelling van Sigmar Polke, met een aparte entreeprijs van acht pond, is bomvol. Maar op de verdieping met de hedendaagse kunst is helemaal niemand.

De curator had nog wel zo haar best gedaan. Om het publiek moderne kunst écht te laten ervaren, had ze speelse werken uitgekozen. Van Gabriel Orozco is er een pingpongtafel met een waterlelievijvertje in het midden, van Thomas Hirschorn een kartonnen lounge waar boeken gelezen kunnen worden en van Carsten Holler een iglo-achtige tent waar de bezoekers frisbees in kunnen werpen. Grootse, hedendaagse kunstwerken die door hun speelse karakter een hand uitsteken naar het publiek. Maar in plaats van de verstrooiing van de vierde etage kiest het publiek voor de klassiek-moderne kunst in een stijve museale omgeving. En dat past niet in de afspraak die curatoren en kunstenaars met elkaar hadden gemaakt voor de komende paar jaar.

Er heerst een groeiend onbehagen over hedendaagse kunst. In Nederland werd dat dit jaar onder meer zichtbaar in de essaybundel Kunst in crisis, samengesteld door museumdirecteur Rutger Wolfson. Kunst, valt erin te lezen, is de weg kwijt. Als reactie op het boek schreven weer andere critici dat niet kunst de weg kwijt is, maar de kunstkritiek. De kunstenaars zelf zwijgen.

Ook de Engelse conservator Julian Spalding, de Vlaamse cultuurfilosoof Frank Vande Veire en de Nederlandse kunstcriticus Cornel Bierens schreven dit jaar betogen die met meer afstand kijken naar die crisis. Daarin vallen harde woorden. Woorden die eerder al te horen waren op het hoogtepunt van het populisme in de Nederlandse politiek, maar nu vanuit de kunstwereld zelf klin ken. Het zijn niet dezelfde woorden, ze zijn zorgvuldiger geformuleerd en inhoudelijker. Centraal in hun verhaal staat dat kunst een systeem is dat niet meer klopt. Een afspraak waar een handvol mensen (de kunstwereld) zich aan houdt en waar de rest met verbazing tegen aankijkt (het publiek). Het is geen roep om meer aansluiting bij het publiek, en ook geen verlangen om terug te gaan naar elitaire of ambachtelijke kunst. Er is een oceaan van kunstproductie, zegt Vande Veire, nooit eerder waren er zoveel kunstenaars actief. Dat zorgt voor inflatie. Door die kunstenaars wordt niet grondig genoeg nagedacht. En dat begint nu op te vallen. Volgens Bierens is kunst zelfs hard op weg een zeer lage status te krijgen, net als in de klassieke Griekse tijd.

Julian Spalding knippert een paar keer met zijn ogen en zwijgt dan in stomme verbijstering. Het is voor het eerst dat een journalist hem vraagt naar zijn boek The Eclipse of Art dat deze zomer verscheen. Hij is een week lang op tournee door Nederland waar hij lezingen houdt over de inrichting van musea. Het Rijksmuseum deed hij aan, het Van Gogh, en straks gaat hij het land in. Hij spreekt er over zijn vorige boek, The Poetic Museum, dat ging over de presentatie van historische kunstwerken. Maar zijn boek The Eclipse of Art dat een ongekend harde aanval is op de wereld van de moderne kunst, werd ontvangen met een overweldigend stilzwijgen.

'Veel kunst is gereduceerd tot een oneliner, een klein boodschapje, totaal ambitieloos'

Dat is niet verwonderlijk. The Eclipse of Art is geschreven in de stijl van een populair self helpboek. De voorpublicatie in de Times had als veelzeggende kop: Why It's OK Not To Like Modern Art. Af en toe is het betoog van Spalding ronduit belachelijk, bijvoorbeeld wanneer hij zegt dat Joseph Beuys' bijdrage aan de kunst nihil geweest is, maar soms komt hij heel dicht bij de kern van het onbehagen dat heerst.

De moderne-kunstwereld is een samenzwering, schrijft Spalding, waar veel geld verdiend wordt aan veel lucht. Een wereld waar handelaren, oppervlakkige critici en curatoren bepalen welke kunst er nu gemaakt moet worden. Een organisatie waarin kunstenaars die meedoen aan het systeem tot grote hoogte worden gepromoot en waarin de rest verzuipt. Grootste slachtoffer is het publiek, dat al honderd jaar niet meer begrijpt waar het over gaat.

Curatoren zijn daardoor steeds belangrijker geworden, schrijft Spalding. Ze fungeren als intermediair tussen het publiek en de kunst. Om die aansluiting nog te vinden, hebben ze de kunstenaar steeds verder naar spektakelkunst geduwd, naar leeg engagement, naar lifestyle. De curator verzint een thema voor een expositie en de kunstenaar maakt er een werk bij. De kunstenaars die daaraan meedoen en nu dus in alle musea voor moderne kunst over de hele wereld te zien zijn, worden beloond voor hun inschikkelijkheid. Met luiheid als gevolg.

De voormalige directeur van de musea van Glasgow zit in de kantine van het Van Gogh Museum in Amsterdam en zegt: 'Veel kunst is gereduceerd tot een oneliner, een klein boodschapje, totaal ambitieloos. De kunstenaars die nu zo gepromoot worden, hebben nauwelijks iets gemaakt dat het waard is om naar te kijken.'

Wie hem vraagt of hij niet gewoon nostalgisch is, krijgt toch een bezorgde kunstliefhebber te zien. 'Ik word neergezet als een oude man die niet om kan gaan met de nieuwe generatie kunstenaars. Maar het is niet dat ik niet begrijp wat ze doen, het probleem is juist dat ik het te makkelijk begrijp. De wil om diepzinnig te zijn, is verdwenen. Een poging om te zeggen waar de wereld zich bevindt, om het te hebben over leven en dood, om iets allesomvattends te zeggen, is weg. Totaal weg.'

De ambities van jonge kunstenaars zijn dit jaar gewogen door de jury's van twee prijzen in Nederland: de Koninklijke prijs voor vrije schilderkunst en de Prix de Rome. De juryrapporten in de catalogi sloegen een ongekend harde toon aan. 'De wil om zich ergens helemaal in vast te bijten,' schrijft juryvoorzitter Pietje Tegenbosch, 'heeft plaatsgemaakt voor een sfeer die eerder beleefd genoemd kan worden.' De thematiek van de jonge schilders is grotendeels autobiografisch 'en blijft daar, helaas, al te vaak in steken'. Wat verder op viel aan de 290 inzendingen was het 'speelse gebruik van decoratieve elementen', schrijft Tegenbosch een tikje beschaamd.

De jury van de Prix de Rome oordeelde nog harder. De juryleden schrijven dat ze 'erg teleurgesteld' zijn over het niveau van de ruim tweehonderd inzendingen. Kunstenaars hadden moeite met het motiveren van hun materiaalkeuze, het artistieke klimaat in Nederland wordt er anti-intellectueel genoemd en veel kunstenaars zouden zich tevreden stellen met het zoeken naar een platform voor hun kunst.

Helmut Dick was een van de vier uiteindelijke genomineerden in de categorie beeldhouwen die hun werk in de expositie in het GEM in Den Haag mochten tonen. Dick had op het dak van een auto een opgezette hond gezet en was daarmee door de straten van Den Haag gaan rijden. De video die de reacties van de omstanders vastlegde, reduceerde het werk in de ogen van de jury definitief tot 'een grap in plaats van kunst'.

Het is gevaarlijk om met Spaldings woorden in, het achterhoofd naar de open dagen van de Rijksakademie te gaan om te kijken wat de nieuwe lichting best opgeleide kunstenaars in Nederland laat zien. Tegen cynisme is zelfs de beste kunst niet bestand. Maar het gebrek aan ambitie was inderdaad opvallend, en werd pijnlijk zichtbaar in een ruimte waar vier grote foto's hingen. Een ervan trok direct de aandacht: een sterk beeld van de maan die over de zee schijnt. In de horizon zit een knik, alle foto's hebben die knik. Op het moment dat ik dat waarnam, kwam er een gastvrouw van de Rijksakademie binnen met een groepje geïnteresseerden. 'Deze kunstenaar raakte gefascineerd,' vertelde ze, 'door de vervorming van foto's in de vouw van een boek.' Deze deelnemer had, die kans is groot, vier jaar kunstacademie en één jaar postdoctoraal op de Rijksakademie achter de rug. Met als resultaat een 'fascinatie' voor zoiets marginaals. De gastvrouw presenteerde deze thematiek ook nog tevreden aan haar gasten, waarmee ze het mechanisme zichtbaar maakte waardoor deze minimale ambities worden gevoed.

'Belachelijk natuurlijk,' zegt Cornel Bierens in The Coffee Company in de Amsterdamse Beethovenstraat. 'Het is een effect van dat beschermde wereldje. Er zijn geen criteria meer voor wat kunst is. Een leraar die geconfronteerd wordt met een leerling die op zo'n probleem inzoemt, zegt tegen zo'n student: ja, daar zit wel wat in. Zo kan alles wat een zekere spanning in zich heeft kunst worden.'

Bierens pleit niet voor een herwaardering van het ambacht, maar hij vraagt zich wel af waarom aan een film, toneelstuk, roman of opera wél technische eisen gesteld mogen worden en niet aan beeldende kunst. Quentin Tarantino kan toch ook én een film maken, én citeren uit de filmgeschiedenis, én acteurs regisseren, én er de juiste muziek bij zetten? Als een kunstenaar een film gaat maken, wil hij zich niet laten belemmeren door de regels van film. Als ster-videokunstenaar Douglas Gordon Hitchcocks Psycho afspeelt in een tijdspanne van vierentwintig uur levert dat nauwelijks een interessant beeld of verhaal op, hooguit een origineel idee. Aan een werkelijk goed werk zou die eis toch ook gesteld moeten kunnen worden?

Nu het stoffelijke verruild is voor het conceptuele, schrijft Bierens in Kunst in crisis, en het ding voor het idee, is de vrijheid zo verlammend geworden dat de kunst op het punt staat te vervluchtigen. Zelfs de poëzie, schrijft hij, vaart naast de witregels op de woorden die er staan. De kunst heeft het in haar etherische hoofd gehaald alleen van de witregels te leven.

'Niet over ideeën ls men enthousiast,' schrijft Frank Vande Veire in zijn pamflet, 'maar over de gezamenlijke bereidheid ze met elkaar uit te wisselen.' De kunstwereld is volgens hem 'een over de hele wereld vertakt reservaat van vloeiende, tolerante communicatie waarin ieder-een narcistisch geniet van zijn ruimdenkendheid'. In I Love Art, You Love Art, We AlI Love Art, This Is Love kiest hij er ook voor vier vooraanstaande figuren uit de Vlaamse kunst aan te wijzen die exemplarisch zijn voor wat hij ziet. Een ervan is ster-curator Jan Hoet. Hij is de man naar wie we kijken als ons geloof wankelt: 'Ons ontbreekt het aan geestdrift in de kunst, maar kijk: er is er één die absoluut en zonder terughoudendheid vervuld is van geestdrift (...); één iemand heeft het licht gezien en dus bestaat het: leve de kunst!'

Het pamflet is door vriend en vijand verkeerd uitgelegd, vertelt Vande Veire in het café van kunstencentrum De Vooruit in zijn woonplaats Gent. De politiek hoofdredacteur van De Morgen, Yves Desmet, prees het als een poging tot emancipatie

'De kunstenaars zelf zwijgen. Openlijke kritiek op het kunstestablishment is nuikend voor hun carrière'

van de cultuurconsument. 'Ik zou de kunstliefhebber bevrijden van een kaste van curatoren en critici die menen te weten wat goed is en wat niet,' zegt Vande Veire. 'Nu zouden mensen weer gewoon kunnen voelen wat ze goed vinden en wat niet. Zich spontaan laten ontroeren. Nou, daar heb ik niets mee te maken. Kunst heeft een structuur nodig waar binnen ze gepresenteerd en besproken kan worden. Een ander beschuldigde me er juist weer van dat ik wil terugkeren naar saaie, hermetische kunst die zich verheven voelt boven de massa. Je schrijft iets dat kennelijk verontrustend is en meteen word je in een volkomen belachelijk hokje geplaatst.'

Het probleem is, zegt Vande Veire, dat onder critici en curatoren een nostalgisch verlangen heerst naar de avant-garde van de jaren zeventig. Toen deed men pogingen om kunst en wereld met elkaar te versmelten, net als nu. Het is een verlangen dat bijvoorbeeld zichtbaar is op de speelverdieping in de Tate Modern. Het was dit jaar ook goed te zien op de biënnale van Venetië, waar men in het Nederlandse paviljoen een bioscoopje kon pakken bij Erik van Lieshout, een spelletje landjepik kon spelen bij Jeanne van Heeswijk en na afloop een gemberdrankje drinken bij Meshac Gaba. Maar er is een groot verschil tussen deze sociale kunst en het jaren-zeventigengagement, doceert Vande Veire. 'Joseph Beuys, Bruce Nauman en de Fluxus-beweging dachten serieus na over wat er gebeurt als je een werk plaatst in een ruimte en er mensen op afkomen om te kijken. Ze stelden de context van de kunst ter discussie. Hun kunst werd gedragen door een sociaal-politiek ideaal, zij geloofden dat een fundamenteel andere maatschappij mogelijk was en dat kunst daar een rol in kon spelen. In die poging kunst en maatschappij bij elkaar aan te laten sluiten, werd de kunst meer dan ooit elitair, maar dat vonden ze niet erg omdat ze vooruitliepen op een maatschappij die beter zou worden. Toen die esprit helemaal verdwenen was, bleef men doen of er niets aan de hand was. Nu vertelt het ons nog dat kunst kritisch moet zijn, dat het zorgt voor een betere wereld, dat het publiek erbij betrokken moet worden. Het is de avantgardistische droom die op een spookachtige manier wordt gecultiveerd.'

Dat er weinig animo is voor pingpongen in het museum, begrijpt Vande Veire dan ook wel. 'Ik vind dat het iets vemederends heeft, dat zoeken naar participatie. Het sust het goede geweten van kunstenaar en curator. Wij zijn toffe jongens en meisjes die niet denken dat ze boven het volk staan, maar die juist het volk in het museum uitnodigen. Dat is paternalistisch, een infantilisering van het publiek, en het publiek voelt dat.'

'Het zielige zwijgen der kunstenaars' is het laatste hoofdstuk van het pamflet van Vande Veire. 'Laat ons serieus blijven,' schrijft hij dreigend. 'Hun zwijgen klinkt, en het klinkt niet goed, het klinkt al te berekenend, ontwijkend, diplomatisch, vreesachtig. Openlijke kritiek op het kunstestablishment is fnuikend voor hun carrière.' Zwijgen doen ook de critici, zegt Spalding. Zij worden steeds minder kritisch en zijn steeds meer geïnteresseerd in lifestyle. Vooral in Engeland hebben kranten bijna geen critici meer in dienst. Het zijn freelancers die hun verhaal aan de krant moeten verkopen. Een stuk over het promiscue leven van Tracey Emin verkoopt beter dan een kritische beschouwing over dat beslapen bed waarmee ze ooit werd genomineerd voor de Turner Prize. In Nederland ontsloeg Het Parool dit jaar de kunstredactie grotendeels, het Algemeen Dagblad heeft al langer geen kunstpagina meer.

In de Volkskrant hield Rutger Pontzen onlangs een pleidooi om alle muren af te breken en de kunstenaars de gewone beeldcultuur in te laten stromen. Hun beelden zouden het zonder beschermende context van de kunst moeten opnemen tegen commercials, videoclips en reclameposters. Bierens, Spalding en Vande Veire zien hier niets in. 'Dat is als vragen of de kunst zichzelf opheft,' zegt Bierens. In zijn essay stelt Bierens wel voor dat de kunst zich een tijdje terugtrekt en onderduikt in het echte leven. 'Het misverstand heerst dat kunstenaars hun hele leven niets anders moeten doen dan kunst maken. Als ik een student hoor verzuchten: wat zal ik nu eens gaan maken? Zeg ik: hou er toch mee op. Als er echt sterke ideeën zijn, komen die vanzelf wel naar boven.'

Als oplossing propageert Spalding zijn nostalgische beeld van de curator die weer op atelierbezoek gaat in zijn omgeving en weer écht gaat kijken, maar Vande Veire doet niet aan oplossingen. 'Crisis van de kunst vind ik geen probleem, daar leeft moderne kunst van, maar de kunst moet zich wel bewust worden van haar crisis. Nu de avantgarde is uitgewerkt, moet men ophouden met het idee dat kunst goed is voor de mensen, dat kunst moet. Dat werkt steriliserend. Kunst wordt niet langer ondersteund door die maatschappelijke utopie. Dit is het moment waarop kunst moet nadenken over haar eigen positie. Kunst zit meer dan ooit opgescheept met zichzelf.'

VN